Hoe openbaar zijn aanbestedingen echt?
Aanbestedingen worden vaak gepresenteerd als instrument om eerlijke concurrentie te stimuleren en marktpartijen gelijke kansen te bieden. In theorie klopt dat: procedures zijn transparant, criteria vooraf vastgesteld en inschrijvingen worden objectief beoordeeld. Willekeur en bevoordeling zijn in theorie uitgesloten.Toch wringt het in de praktijk regelmatig, met name voor kleinere ondernemingen.
Uit richtlijnen en handreikingen van onder meer Pianoo Expertisecentrum Aanbesteden valt op te merken dat aanbestedende diensten worden aangemoedigd om opdrachten op te knippen in percelen, zodat ook het MKB kan meedingen. Ook de Europese Commissie wijst al langer op het belang van betere toegang tot overheidsopdrachten voor het MKB, juist omdat publieke aanbestedingen circa 15% van het Europese bbp vertegenwoordigen.
Dat neemt niet weg dat opdrachtgevers in de praktijk nog vaak kiezen voor één integrale opdracht, met als argument het waarborgen van samenhang, regie en efficiëntie.
Daar komt bij dat ook proportionele geschiktheidseisen, zoals referentieopdrachten, minimale omzet of certificeringen, in de praktijk een stevige drempel vormen voor nieuwe toetreders. De vraag is dan ook niet zozeer of aanbestedingen formeel toegankelijk zijn voor het MKB en start-ups, maar of ze dat in de praktijk ook daadwerkelijk zijn. En of de aanbestedingspraktijk innovatie en vernieuwing daardoor niet te veel in de weg staat.
De spanning tussen open markt en uitvoerbaarheid is begrijpelijk: opdrachtgevers zoeken zekerheid, schaal en beheersbaarheid. Tegelijkertijd schuurt dat met de ambitie om innovatie en nieuwe toetreders ruimte te geven. Zolang die twee belangen niet expliciet tegen elkaar worden afgewogen, blijft het risico bestaan dat ‘open’ aanbestedingen vooral toegankelijk zijn voor partijen die het spel al kennen (en kunnen) spelen. Zo ontstaat een vicieuze cirkel waarin gevestigde partijen hun voorsprong versterken en nieuwkomers moeilijk doorbreken.